FotoVideo.nu Reviews

22
mrt.

Basiskennis: Programmastanden

Van auto tot handmatig

dinsdag 22 maart 2011 12:28 door Jeroen Horlings

Inleiding

Speciaal voor beginnende fotografen zijn de meeste camera’s voorzien van zogenaamde programmastanden (ook wel scenes genoemd). Dit zijn voorgeprogrammeerde instellingen voor specifieke omstandigheden, denk bijvoorbeeld aan een macro, een portret of een landschap. Vooral voor beginnende fotografen zijn deze standen ideaal: ze produceren betere foto's doordat de camera rekening houdt met de omstandigheden. Je hoeft je daardoor alleen nog maar bezig te houden met de compositie. In dit artikel beschrijven we de meest gebruike programmastanden, wat ze doen en wanneer je ze wel en niet moet gebruiken.

De automatische stand

De automatische stand is handig om mee te beginnen als je weinig ervaring met camera's hebt. In de auto-stand bepaalt de camera zelf de belichtingen door middel van het diafragma en de sluitertijd en kun je  dit niet zelf aanpassen. Ook zaken als de witbalans, ISO-waarde, AF en de belichtingsmethode worden automatisch bepaald. Wanneer er te weinig licht is, schiet de flitser automatisch omhoog. Enerzijds om beter scherp te kunnen stellen, maar anderzijds om een flits af te vuren. Wil je geen flits maar wel de automatische stand, dan is daar ook een speciale programmastand voor (in de foto hierboven zit deze direct onder de automatische stand).

In algemene situaties werkt de automatische stand prima. Toch is het zeker niet zo dat deze stand de grootste kans biedt op geslaagde foto's. De camera speelt ten alle tijden op safe en houdt geen rekening met specifieke situaties. Het is maar een dom apparaat dat in principe niet goed kan waarnemen of je een landschap of een portret fotografeert. Uitzonderingen daargelaten want er zijn cameramodellen die slimme algoritmen gebruiken om scenes te herkennen. 

Er zijn verschillende situaties waarbij de auto-stand niet goed werkt. Bijvoorbeeld niet als je 's avonds in een voelbalstadion zit en foto's van de wedstrijd maakt. De camera zal detecteren dat er weinig licht is waardoor de kans op een bewogen (lees: onscherpe) foto toeneemt. Als oplossing besluit de camera de flitser te gebruiken. Een verkeerde keuze, want op grote afstanden heeft flitsen helemaal geen zin. 

Wanneer je meer vertrouwd bent met je camera loont het om in specifieke situaties, zoals bij sportevenementen, portretten of nachtopnamen, de bijbehorende programmastanden te gebruiken. En wanneer je volledige controle over de camera wilt, of een specifiek effect wilt bereiken zijn de gevorderde P-, Tv/S-, A/Av- en M-standen ideaal. 

In dit geval voldoet de automatische stand prima.

Wat belangrijk is om te beseffen is dat je in de automatische stand (evenals in andere voorgeprogrammeerde scenestanden) zelf geen handmatige aanpassingen kunt maken. Je kunt dus niet de witbalans, ISO-waarde of belichting bepalen omdat de camera dat geheel automatisch doet. Wilt je toch een instelling wijzigingen dan kun je het beste gebruik maken van de P-stand.

Flitser uit

Wanneer je wel volautomatisch wilt werken, maar niet wilt dat de flitser gebruikt wordt, dan kun je ook voor de stand 'flitser uit' kiezen. Deze is te herkennen aan het symbool van een flits (met pijl) en een streep er doorheen. Deze portretstand is gelijk aan de automatische stand, maar nu is de flits uitgeschakeld.