Inleiding
De lichtgevoeligheid van de sensor wordt uitgedrukt in ISO. Veelal een waarde tussen de 100 en 6400. Maar hoe kun je hier het beste mee omgaan? Het is bijna niet meer voor te stellen, maar in de tijd van fotorolletjes moest je voor verschillende lichtomstandigheden andere films gebruiken, meestal variërend van 100 tot 400 ISO. Dat was erg onhandig, want het betekende dat soms halverwege een rolletje moest terugspoelen en een nieuwe rol film gebruiken. Met de komst van de digitale camera kun je direct overschakelen naar een andere lichtgevoeligheid en zo makkelijker inspelen op verschillende situaties. In de automatische stand doet de camera dit geheel automatisch voor je, maar er zijn diverse situaties waarbij je de ISO-waarde beter zelf kunt instellen.
ISO en ruis
Een sensor heeft altijd een optimale stand waarin de hoogst mogelijke beeldkwaliteit gehaald wordt, met minimale beeldruis. In de meeste gevallen is dit de laagste ISO waarde (veelal ISO 100). Om verschillende ISO-standen te simuleren wordt de spanning op de sensor verhoogd, waardoor deze gevoeliger wordt voor licht. Je kunt dan foto’s blijven maken met hoge sluitertijden, zonder dat je een statief nodig hebt. Het gevolg is wel dat er meer beeldruis ontstaat, naarmate de ISO opgeschroefd wordt. In de automatische stand kiest de camera zelf de juiste lichtgevoeligheid, afhankelijk van de hoeveelheid omgevingslicht en de sluitertijd die behaald kan worden. Aangezien langzame sluitertijden (minder dan 1/60e seconde) meestal leiden tot bewogen (en dus onscherpe) foto’s is meer lichtgevoeligheid van de sensor wenselijk wanneer er weinig licht is. Bijvoorbeeld ’s avonds, maar ook in binnensituaties.

Dankzij de almaar beter wordende sensoren kun je tegenwoordig prima uit de hand fotograferen in combinatie met hoge ISO-waarde. De foto hierboven is gemaakt met een lichtgevoeligheid van 3200 ISO.
Praktijk
Voorbeeld: stel je camera staat ingesteld op 100 ISO en je zit in het theater, met relatief weinig licht. De camera zal dan mogelijk maximaal een sluitertijd van 1/15e seconde halen (of nog langzamer), met als gevolg dat de opname vrijwel zeker bewogen is. Flitsen is (op grote afstand) geen optie, dus de enige mogelijkheid is een hogere lichtgevoeligheid. Als je je camera op 400 ISO zet kun je een sluitertijd van 1/60e halen. Dit is in veel gevallen voldoende, tenzij het onderwerp heel snel beweegt. Een gevoeligheid van 1600 ISO zou zelfs een sluitertijd van 1/250e mogelijk maken, waardoor de opname zeker haarscherp is. Uiteraard zijn sluitertijden gekoppeld aan diafragmawaarden en die zijn weer afhankelijk van de lichtsterkte van je lens. Kan je camera hoge ISO-waarden aan en leveren die nog een goed resultaat op, dan kun je met een standaardlens (b.v. f5.6) al snel bewegingsvrije foto’s maken. Is 400 ISO het maximaal bruikbare, dan is een lichtgevoelige lens (b.v. f2.8) waarschijnlijk noodzakelijk. Met een f2.8 lens kun je op 400 ISO dezelfde sluitertijden halen als met een f5.6 lens op 1600 ISO.
Op ISO 100 produceren compactcamera's prima beeldkwaliteit. Op hogere ISO's zoals ISO 1600 verliest de opname kleur en worden details korrelig en ruizig (zie hierboven).
NL
BE